Droge zomers, minder neerslag en een lage wateraanvoer vanuit het buitenland: de combinatie zorgt er steeds vaker voor dat de waterstanden in Nederlandse rivieren dalen. Voor de scheepvaart heeft dat directe gevolgen, van beperkte laadcapaciteit tot langere wachttijden bij sluizen. Maar ook recreatievaarders kunnen er last van hebben. In dit artikel leggen we uit hoe een lage waterstand ontstaat, welke rivieren het meest kwetsbaar zijn en wat er gedaan wordt om de hinder te beperken.
Hoe ontstaat een lage waterstand?
De waterstand in Nederlandse rivieren wordt grotendeels bepaald door de neerslag en het smeltwater in het buitenland, met name in de Alpen en Duitsland. Valt er weinig neerslag, of zijn de winters mild met weinig sneeuw, dan is de aanvoer vanuit het buitenland laag. Tegelijkertijd zorgen droge zomers in Nederland zelf voor extra verdamping. Die combinatie leidt tot dalende waterstanden in de grote rivieren.
Klimaatverandering versterkt dit effect. Droogteperiodes komen vaker voor en duren langer dan vroeger. Rijkswaterstaat verwacht dat lage waterstanden in de toekomst een structureler probleem worden, niet een incidentele uitzondering.
Welke rivieren zijn het meest kwetsbaar?
Niet alle rivieren reageren op dezelfde manier op droogte. De Rijn en de Waal hebben een zogeheten vrije afstroom: het water stroomt ongehinderd naar zee en het peil is niet te beïnvloeden. Bij aanhoudende droogte daalt het waterpeil daar dus direct mee.
De gestuwde delen van de Maas en de Neder-Rijn zijn minder kwetsbaar, omdat Rijkswaterstaat daar via stuwen, sluizen en pompgemalen het peil binnen bepaalde grenzen kan reguleren. De IJssel vormt een bijzonder geval: de waterstand wordt mede bepaald door de stuw bij Driel. Zonder die stuw zou de IJssel bij lage wateraanvoer vanuit Duitsland vrijwel onbevaarbaar worden.
Wat zijn de gevolgen voor de scheepvaart?
Een lage waterstand heeft praktische gevolgen. Binnenvaartschepen hebben een bepaalde diepgang nodig om veilig te kunnen varen. Is het water ondieper dan normaal, dan moet de lading worden verminderd om te voorkomen dat het schip de bodem raakt. Dat klinkt simpel, maar het heeft economische gevolgen: dezelfde hoeveelheid goederen moet dan over meer schepen worden verdeeld.
Bovendien wordt de vaargeul smaller bij lage waterstanden, waardoor het drukker wordt op de rivier. Rijkswaterstaat kan in dat geval een inhaal- en ontmoetingsverbod instellen: schepen mogen elkaar dan niet meer passeren op bepaalde trajecten. Wachttijden bij sluizen lopen in zulke periodes ook flink op. Veerponten kunnen eveneens hinder ondervinden als het waterpeil te laag wordt voor hun normale vaarroute.
Wat betekent dit voor recreatievaarders?
Ook recreatievaarders kunnen hinder ondervinden van een lage waterstand. Op rivieren met veel beroepsvaart neemt het aantal schepen toe bij droogte, omdat lading over meer vaartuigen wordt verdeeld. Dat maakt de vaarweg drukker en gevaarlijker voor kleinere boten. Bovendien kan een smallere vaargeul betekenen dat je minder ruimte hebt om grotere schepen te passeren.
Op ondiepe vaarwegen, plassen en kanalen kan een lage waterstand leiden tot problemen met de diepgang van de eigen boot. Met name boten met een diepere ligging onder water lopen het risico vast te komen zitten op zandbanken of ondieptes die normaal gesproken ruim genoeg zijn. Check bij droogte altijd de actuele waterstand voor je vertrekt, via waterinfo.rws.nl.
Wat doet Rijkswaterstaat bij lage waterstand?
Rijkswaterstaat houdt schippers actief op de hoogte van de actuele situatie. Naast de dagelijkse metingen worden scheepvaartberichten uitgegeven zodra de waterstand kritieke niveaus bereikt. Op rivieren waar het peil te beïnvloeden is, worden stuwen en pompgemalen ingezet om het water zo lang mogelijk op een acceptabel niveau te houden.
Op de vrije rivieren, zoals de Rijn en de Waal, zijn de mogelijkheden beperkter. Daar informeert Rijkswaterstaat de sector zo vroeg mogelijk over verwachte dalingen, zodat verladers en scheepvaartbedrijven hun planning kunnen aanpassen.