Tijdens periodes van droogte duikt het begrip verzilting steeds vaker op in het nieuws. Het hangt nauw samen met lage rivierafvoeren, stijgende zeespiegels en het watertekort. Voor de meeste mensen is het een abstract begrip, maar voor waterbeheerders en iedereen die op het water werkt of recreëert, heeft het gevolgen. Wat is verzilting eigenlijk? En wat merk je er als vaarder van?
Wat is verzilting?
Verzilting betekent dat het zoutgehalte in het water of de bodem toeneemt. Het gaat daarbij om chloride, het zout dat van nature in zeewater zit. In normale omstandigheden zijn de meeste binnenwateren in Nederland zoet of licht brak. Als de chlorideconcentratie stijgt boven bepaalde normen, is het water niet meer geschikt voor drinkwaterproductie, beregening van gewassen of gebruik in industriële processen.
Zout water en zoet water gedragen zich anders in de natuur. Zout water is zwaarder en zakt naar beneden. Op plekken waar beide soorten water samenkomen, zie je daardoor soms een zouttong: een laag zout water onder een laag zoet water. Op drukke vaarwegen, waar scheepvaart en getij voor constante menging zorgen, zijn beide lagen doorgaans meer vermengd.
Hoe komt zout in het binnenwater terecht?
Er zijn meerdere wegen waarlangs zout het zoete watersysteem binnendringt. Via onder andere open riviermondingen dringt zeewater rechtstreeks de rivieren in. Hoe minder water er vanuit het binnenland stroomt, hoe verder het zout kan optrekken. Tijdens droge zomers, als rivieren laag staan, is dat risico het grootst.
Een tweede route loopt via sluizen. Elke keer dat een schip wordt geschut, stroomt er een hoeveelheid zout water het zoete systeem in. Over een drukke vaardag zijn dat tientallen schuttingen. Op locaties als het Amsterdam-Rijnkanaal worden speciale bellenschermen ingezet: pompen die luchtbellen door het water sturen en daarmee de zouttong verstoren die zich anders bij de sluisdeuren vormt.
Ten slotte speelt ook zoute kwel een rol: zout grondwater dat van nature omhoogkomt. Dat zien we vooral in diepe polders en droogmakerijen in de laaggelegen delen van Nederland. En bij aanhoudende droogte concentreren de zouten die al in rivieren en meren zitten: er valt minder neerslag, er verdampt meer water en de zoutconcentratie neemt daardoor vanzelf toe.
Gevolgen voor recreatievaarders
Wie puur voor het plezier vaart, merkt verzilting niet direct aan het water zelf. De gevolgen zijn indirecter, maar zeker voelbaar. In droge periodes besluiten waterbeheerders zoet water in te zetten om verzilting tegen te gaan. Sluizen worden dan spaarzamer bediend, wachttijden nemen toe en vaarroutes kunnen tijdelijk worden aangepast waardoor het op sommige wateren drukker kan worden.
Gevolgen voor de scheepvaart
De scheepvaart heeft een bijzondere en dubbele verhouding met verzilting. Enerzijds veroorzaakt ze het probleem mede. Elk schip dat door een sluis vaart, brengt zout water mee. Hoe meer scheepsbewegingen per dag, hoe meer zout er het systeem inkomt. Anderzijds heeft de scheepvaart ook baat bij ingrepen die verzilting vergroten: het verdiepen van vaarwegen maakt de doorvaart voor grotere schepen mogelijk, maar laat tegelijkertijd zout water makkelijker binnendringen.
Om de zoutindringing bij sluizen te beperken, worden meerdere schepen gelijktijdig geschut en staan de deuren zo kort mogelijk open. Op sommige locaties worden bellenschermen ingezet. Toch blijft er altijd een hoeveelheid zout binnenkomen, zeker op drukke vaarwegen. Bij aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren neemt de druk op het systeem verder toe en zijn de maatregelen intensiever.
Wat doen waterbeheerders eraan?
Rijkswaterstaat en de waterschappen hebben meerdere instrumenten om verzilting te beperken. Water vasthouden vóór een droge periode is de meest effectieve preventieve maatregel: een hoog waterpeil maakt het voor zout water moeilijker om ver te penetreren. Daarnaast wordt op sommige rivertakken extra water doorgevoerd om het zout actief terug te dringen. Sloten worden doorgespoeld met zoet water en zoute kwelwellen worden gedicht waar dat mogelijk is.
Bij sluizen wordt de schuttijd zo kort mogelijk gehouden en worden slabben of zouthevels ingezet om te voorkomen dat zout water bij het openen van de deuren binnenstroomt. In uitzonderlijke situaties kan Rijkswaterstaat de bediening van sluizen beperken, wat leidt tot langere wachttijden voor de scheepvaart.